Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Persoonlijke hulpmiddelen

slider

Sections

Amstelscheg

De Amstelscheg is een groene zone aan weerskanten van de Amstel, tussen Amstelveen en Amsterdam-Zuidoost. Het is één van de acht groene vingers (‘scheggen’) rond Amsterdam. Een groot deel van Ouder-Amstel valt binnen de Amstelscheg. Het plan voor groene bufferzones rond Amsterdam dateert uit de jaren 1930 en werd bedacht door stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren. De Amstelscheg wordt intensief gebruikt voor recreatie en sport. Ouderkerk aan de Amstel vormt het hart van de Amstelscheg.

  • De Amstelscheg is een groene zone aan weerskanten van de Amstel, tussen Amstelveen en Amsterdam-Zuidoost. Het is één van de acht groene vingers (‘scheggen’) rond Amsterdam. Een groot deel van Ouder-Amstel valt binnen de Amstelscheg. Het plan voor groene bufferzones rond Amsterdam dateert uit de jaren 1930 en werd bedacht door stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren. De Amstelscheg wordt intensief gebruikt voor recreatie en sport. Ouderkerk aan de Amstel vormt het hart van de Amstelscheg.
    52.3130386571 4.90568766931
    • Natuur en Landschap

Klik hier voor meer foto's....

 

Algemeen Uitbreidingsplan 1934

In het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam van Cornelis van Eesteren uit 1934 wordt de Amstel en omgeving, tot en met “de Ronde Hoep” aangewezen als een van de zogenaamde “scheggen” van Amsterdam. Scheggen zijn grote aaneengesloten groengebieden die vanuit het buitengebied diep de stad in steken. Het AUP had niet alleen tot doel om de stedelijke bebouwing uit te breiden, maar ook een goed evenwicht te bereiken tussen de stad en het groen. Naast de ruimere en groenere opzet van de nieuwere woonwijken is de lobben- en scheggenstructuur een belangrijk aspect in dit plan. De stad werd in het AUP niet met een extra rand bebouwing uitgebreid, maar kreeg een lobbenstructuur. Daarbij steken de nieuwe uitbreidingen als vingers aan een hand in het omringende groene land, terwijl groene scheggen tot diep in het stedelijke gebied naar binnen reiken. Daardoor kunnen bewoners van de stad, ook vanuit het stadscentrum, binnen tien minuten in een groengebied zijn. Dit is uniek in de wereld. Tot op de dag van vandaag vormen deze scheggen een belangrijke basis voor de stadsontwikkeling.

Cornelis van Eesteren

Bij de plannen voor stadsuitbreiding voorzag Cornelis van Eesteren dat bij de stadsbewoners een grote behoefte zou zijn aan ruimte voor groen en ontspanning. groene- ruimte en ontspanning. Cornelis van Eesteren (1897-1988) is als gevierde architect en stedenbouwkundige vooral bekend door zijn rol bij het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) voor Amsterdam. Dit plan kwam in 1934 tot stand en betekende uiteindelijk de realisatie van de Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert en delen van Noord en de Watergraafsmeer. Cornelis van Eesteren studeert architectuur in Rotterdam. Hij volgt daarna een opleiding tot stedenbouwkundige in Parijs. Van Eesterens vroege ontwerpen verraden de invloed van Berlage. In 1925 wint hij een ontwerpwedstrijd voor Unter den Linden in Berlijn. Dit betekent zijn internationale doorbraak. Enkele jaren hierna gaat Van Eesteren aan de slag voor de Gemeente Amsterdam.

Het Algemeen Uitbreidingsplan werd pas na de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. Van Eesteren hield bij zijn stedenbouwkundige ontwerpen vast aan de vier primaire functies van de stad wonen, recreëren, verkeer en werken: ‘de functionele stad’. Van Eesteren was van 1930 tot 1947 voorzitter van het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM), een serie internationale conferenties over moderne architectuur en stedenbouw.

Ontstaansgeschiedenis

Het landschap van de Amstelscheg maakte deel uit van een enorm veenkussen dat zich uitstrekte tussen de duinen en de Utrechtse Heuvelrug. In dit deel van het veenlandschap waterden kleine veenriviertjes af op de Amstel. Het veengebied werd tussen de 11e en de 13e eeuw ontgonnen door vanaf de Amstel en de kleinere veenriviertjes parallelle sloten het veen in het graven. Hierdoor ontstond de kenmerkende opstrekkende verkaveling. In de Ronde Hoep kreeg de verkaveling een stervorm door de ontginning vanuit verschillende richtingen. De ontginningen schoven steeds verder het veen in. Uiteindelijk bleef men in het laatste ontginningslint wonen, zoals in Amstelveen, of verplaatste men de bewoning naar een betere locatie, bijvoorbeeld langs de rivierdijken.

Buitenplaatsen en boerenhoeves

Ook ver voor het uitbreidingsplan uit 1934 was er behoefte aan frisse lucht, rust en ruimte, die in de 17e en 18e eeuw gefortuneerde grachtengordel-bewoners van Amsterdam ertoe bracht een prettig en aanzienlijk buitenverblijf te realiseren.  De Amstel bleek een aantrekkelijke locatie. Er werden buitenplaatsen gebouwd, sommige als statige landhuizen, zoals langs de Vecht. In 1700 stonden er 44 buitenplaatsen, voornamelijk aan de westkant van de Amstel gelegen. Aan het eind van de 17e eeuw stagneerde echter de economie.  Frederik Kaal (1776, eigenaar van “Wester Amstel”) kocht en sloopte naar het schijnt naar hartenlust vele vervallen buitenplaatsen en verhandelde de nog bruikbare bouwmaterialen. Mogelijk dat het woord “kaalslag” naar deze noeste sloper verwijst. Nu zijn er nog maar een paar over waarvan drie statige buitenhuizen: Amstelrust, Wester Amstel en Oostermeer.

 
Share |
gearchiveerd onder: